
Synopsis
Een jaar na Data Morgana is de centrale vraag verschoven: niet meer óf digitale afhankelijkheid een probleem is, maar welk verhaal we gebruiken om digitale autonomie vorm te geven — en wie daarin wordt meegenomen. Wat toen nog als “frame” klonk (tech-neokolonialisme), staat nu in het coalitieakkoord als beleidsrealiteit: grip, ontvlechting, open standaarden, open source, ketenveiligheid en ‘gezond online’. Tegelijk blijft het dominante tech-narratief vaak niet inclusief, terwijl inclusie juist een ontwerpeis is voor kwaliteit en innovatie. De uitdaging is nu dubbel: bouwen aan de stack én het verhaal herijken.
Een jaar na Data Morgana: van waarschuwing naar beleid — en waarom het tech-narratief nu moet kantelen
Een jaar geleden schoof Ruben Brave, voorzitter van Internet Society Nederland, aan bij Data Morgana — de talkshow van PublicSpaces op AT5 over de toekomst van het internet en de online publieke ruimte. In dat gesprek viel een term die toen scherp en voor sommigen ongemakkelijk klonk: tech-neokolonialisme.

Destijds werd dat nog regelmatig gelezen als een historische metafoor of persoonlijk frame. Inmiddels is de werkelijkheid het debat voorbijgestreefd. Digitale afhankelijkheid is geen retoriek meer, maar een erkend systeemvraagstuk.
Van online publieke ruimte naar machtsvraagstuk
De kern van Data Morgana was eenvoudig, maar confronterend: het internet is geen neutrale infrastructuur. De online publieke ruimte wordt gevormd door keuzes over eigenaarschap, verdienmodellen en governance. Wie data, algoritmes en infrastructuur controleert, bepaalt mede hoe publieke verhoudingen zich ontwikkelen — economisch, democratisch en cultureel.
Daar raakt tech-neokolonialisme aan: afhankelijkheid is nooit alleen technisch. Ze is structureel, geopolitiek en historisch geladen. En ze geldt inmiddels voor alle partijen die zich diep hebben verbonden aan geconcentreerde technologie-ecosystemen buiten Europa.
De diagnose staat nu in het coalitieakkoord
Wat toen als publieke-ruimte-analyse werd besproken, staat nu in beleidstaal in het coalitieakkoord. Daarin wordt expliciet erkend dat Nederland en Europa meer grip en democratische sturing nodig hebben, juist vanwege afhankelijkheid van een klein aantal buitenlandse spelers.

Die erkenning blijft niet abstract. Het coalitieakkoord zet onder meer in op:
- doelgerichte afbouw van afhankelijkheden in cloud, data en cruciale systemen;
- open standaarden, open source, ketenveiligheid en security-by-design als uitgangspunt voor overheids-IT;
- inzet van overheidsmarktmacht via aanbestedingen om publieke waarden af te dwingen;
- maatregelen voor een veilig en gezond online domein, inclusief toezicht op algoritmische schade.
De conclusie is helder: digitale infrastructuur is geen neutraal hulpmiddel, maar een machtsfactor — en hoort daarom thuis in het hart van publiek beleid.
Waar het nog stokt: het narratief
Toch blijft één laag opvallend weerbarstig: het verhaal dat we gebruiken om digitale autonomie te duiden. De technische en economische analyse is ingehaald door de realiteit, maar de culturele en narratieve reflectie blijft vaak achter.
Dat werd zichtbaar toen in 2025 een uitnodigende brief werd gestuurd om gezamenlijk te reflecteren op het tech-soevereiniteitsnarratief: de metaforen die we normaliseren, de historische bagage die we meedragen, en de vraag wie zich wel — en wie zich niet — herkent in het dominante verhaal. Op die uitnodiging kwam geen reactie.
Het punt is niet de anekdote, maar het patroon. We praten relatief gemakkelijk over cloud, leveranciers en cybersecurity, maar minder over framing, symboliek en uitsluiting. Terwijl juist die laag bepaalt of digitale autonomie een breed gedragen publiek project wordt.
Inclusie is geen bijlage, maar een ontwerpeis
Een tweede hardnekkige misvatting is dat inclusie tegenover innovatie zou staan. Alsof het een extra randvoorwaarde is, in plaats van een kwaliteitscriterium.
In de praktijk geldt het omgekeerde. Zonder inclusie ontstaan precies de problemen die techniek en beleid later moeten repareren:
- verkeerde probleemdefinities;
- bias in data en systemen;
- verlies aan legitimiteit en vertrouwen;
- publieke infrastructuur zonder publiek draagvlak.
Daarom hoort inclusie thuis in de harde lagen van uitvoering: aanbestedingscriteria, open-source-governance, publieke verantwoording en toezicht. Innovatie dóór inclusie is geen slogan, maar een ontwerpprincipe.
Waarom narratieven ertoe doen — zelfs als ze dystopisch zijn
Tech is ook een verhalenindustrie. Narratieven binden mensen, geven richting en legitimeren macht. Zelfs dystopische verhalen kunnen aantrekkelijk zijn, omdat ze betekenis en rolverdeling bieden.
Een illustratief voorbeeld is Palantir Technologies. De naam verwijst naar de palantír uit het werk van J. R. R. Tolkien: een alziend object dat verleiding, macht en manipulatie symboliseert. Toch werkt dit narratief mobiliserend — omdat het mensen plaatst in een groter verhaal over inzicht, controle en veiligheid.

Over “narratieven die mensen binden” gesproken: bij de aankondiging van Agenda Nieuw Amsterdam werd terloops genoemd dat Ruben Nieuwenhuis ooit bij Palantir Technologies werkte. Als dat geen perfect voorbeeld is van hoe verhalen rond technologie cirkelen, wat dan wel?
Van praten naar bouwen: een actueel voorbeeld
Diezelfde beweging — van analyse naar uitvoering — zien we terug in Agenda Nieuw Amsterdam: een bouwproces waarin wordt gewerkt aan een route richting 2038, van kenniseconomie naar intelligentie-economie, gekoppeld aan maatschappelijke opgaven en nationale plannen.
Het voorbeeld is relevant omdat het dezelfde keuze zichtbaar maakt: autonomie ontstaat niet vanzelf uit technologie. Ze vraagt om governance, prioritering, coalities — en een verhaal waarin mensen zich herkennen.
Vooruitkijken
De opdracht voor de komende periode is dubbel. Bouwen aan de stack: open source, ketenveiligheid, publieke alternatieven en inkoop die publieke waarden afdwingt. En tegelijk het verhaal herijken: inclusief, historisch bewust en gebaseerd op het inzicht dat inclusie geen rem is, maar een versneller van kwaliteit en innovatie.
Zoals Tim Berners-Lee het kernachtig verwoordde: “The Web is for everyone.”
Dat is geen slogan. Dat is een opdracht.

En misschien is dat de les van Data Morgana, één jaar later: digitale autonomie mag geen fata morgana zijn — geen luchtspiegeling aan de horizon — maar een route die we samen bouwen, stap voor stap, totdat macht weer wordt gedeeld, en publieke ruimte weer publiek..
