Soeverein, maar niet alleen

Een opiniestuk van ISOC NL lid, Benjamin Asante, over digitale onafhankelijkheid en gedeelde verantwoordelijkheid

Inleiding – door Internet Society Nederland

Digitale soevereiniteit is meer dan een kwestie van technologie of marktpositie — het gaat over waarden, vertrouwen en de vraag wie zeggenschap heeft over de infrastructuren waarop onze samenleving draait. In dit opiniestuk onderzoekt Benjamin Asante, lid van de community rond Internet Society Nederland, hoe Europa en Nederland sterker en zelfstandiger kunnen opereren in het digitale domein — zonder de openheid en samenwerking te verliezen die internet groot hebben gemaakt.

Het stuk maakt deel uit van de reeks Internet als Publieke Ruimte, waarin leden van ISOC NL hun perspectief delen op actuele beleidsvraagstukken rond open standaarden, digitale rechten en publieke digitale goederen. ISOC NL publiceert dit opiniestuk als bijdrage aan het maatschappelijk debat; de inhoud weerspiegelt de visie van de auteur, niet noodzakelijk die van de organisatie zelf.


photo by KOBU Agency on Unsplash

Opinie – Soeverein, maar niet alleen

door Benjamin Asante


Soeverein, maar niet alleen

Met de verkiezingen voor de deur profileren sommige partijen zich tegenover de Amerikaanse techreuzen. GroenLinks-PvdA stelt een opvallend idee voor: een European Civil Tech Fund — een publiek fonds dat investeert in digitale voorzieningen. Nieuw voor Nederland, maar al getest in Duitsland via het Sovereign Tech Agency (STA). Tijdens mijn master werkte ik daar als enige Nederlander. Vanuit die ervaring heb ik één duidelijke aanbeveling: Nederland moet dit voorstel serieus nemen.

In het debat over digitalisering ligt de nadruk vaak op AI en automatisering, maar minstens zo belangrijk is de software-infrastructuur waarop deze technologieën draaien. Denk aan de software die gegevens versleutelt wanneer je inlogt bij een app of website. De marktwaarde van die infrastructuur wordt in 2025 geschat op 126 miljard euro, maar Europa mist nog steeds eigenaarschap over de technologie, kennis en mensen om dit zelfstandig te onderhouden.

De kwetsbaarheid daarvan werd maandag opnieuw zichtbaar, toen de webdienst van Amazon uitviel. Een vergelijkbare les bood het Heartbleed-incident van 2014: een lek in een open-source-component, waarop vrijwel het hele internet draait, bleef jarenlang onopgemerkt. De schade liep wereldwijd op tot honderden miljoenen euro’s, terwijl het project jaarlijks slechts 1.700 euro ontving. Pas na de ramp doneerden bedrijven zoals Cisco en IBM incidenteel grotere bedragen.
Overheidsinvesteringen in software lijken log, maar zijn onmisbaar. Wanneer meerdere partijen profiteren, neemt vaak niemand verantwoordelijkheid, waardoor cruciale projecten structureel ondergefinancierd blijven. Evenals onze waterschappen destijds werden opgericht om collectieve verantwoordelijkheid voor droge voeten en schoon water te waarborgen, kan een Europees fonds een vergelijkbare rol vervullen voor digitale infrastructuur.

Publieke investeringen hoeven echter niet uitsluitend uit belastinggeld te komen. Via nieuwe instrumenten, zoals impactcertificaten, kan maatschappelijke waarde worden omgezet in financiële producten. Deze impacten kunnen langs de lijnen van digitale soevereiniteit, duurzaamheid of andere impactdoelen worden verhandeld.
Zo kan een European Civil Tech Fund naast publieke middelen ook privaat kapitaal aantrekken. Daarmee ontstaat een tweede route naast “tax them stupid”: missiegedreven investeringsportefeuilles die publieke digitale infrastructuur ook financieel legitimeren. Grote publieke opgaven vergen innovatie in zowel publieke als private sector. Dit betekent dat een nieuw investeringsmodel dat pluralistische belangen koppelt aan het functioneren van open-source-software de gewenste standaard zal worden.

Duitsland heeft met het STA al 28,5 miljoen euro opgehaald via uitsluitend staatsinvesteringen. Dat is nodig, want tot 90 % van moderne software bestaat uit open-source-componenten, vaak onderhouden door kleine, verspreide teams van ontwikkelaars wereldwijd.
Digitale soevereiniteit stopt dus niet bij de Europese grens — ze wordt dagelijks mede vormgegeven door gemeenschappen in het mondiale Zuiden. Deze cijfers laten zien dat het onderhoud van onze digitale infrastructuur volledig afhankelijk is van een globaal governance-netwerk.

Toen ik bij het STA werkte zag ik een duidelijke trend: het aantal softwareontwikkelaars per hoofd van de bevolking in West-Europa wordt ingehaald door groeilanden. Nederland telt ongeveer 6.000 ontwikkelaars per miljoen inwoners, vergelijkbaar met Spanje en Zweden. In India en Brazilië groeit dat aantal met respectievelijk 14 % en 9 % per jaar.
Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika behoren inmiddels tot de snelst groeiende regio’s, ondanks handelsoorlogen, werkloosheid, koopkrachtdaling en de opmars van AI in softwareontwikkeling.

Deze ontwikkeling laat zien dat digitale kennis en innovatie niet langer geconcentreerd zijn in het Noorden, maar steeds vaker ontstaan in het Zuiden. Dat is geen bedreiging, maar een kans: regio’s met een overcapaciteit aan hoogopgeleide ontwikkelaars én een eigen visie op open technologie, digitale rechtvaardigheid en data-soevereiniteit.

De Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) benadrukte op 10 september dat zulke economische en technologische verschuivingen kansen bieden voor minilaterale betrekkingen. Waar China landen bindt via fysieke infrastructuur en de VS via hun techreuzen, kan Europa zich onderscheiden met een open, digitale strategie gebaseerd op gelijkwaardigheid. Nederland kan hierin een voortrekkersrol spelen door via het European Civil Tech Fund samenwerkingsverbanden te bouwen met ontwikkelaars in Zuidoost-Azië, Latijns-Amerika en Afrika, gericht op co-creatie in plaats van hulp.

Digitale soevereiniteit betekent dan ook niet afsluiting, maar samenwerking: het bouwen van een multipolair digitaal ecosysteem waarin kennisdeling wederkerig is en open standaarden gezamenlijk worden ontwikkeld.
Het rendement daarvan? Niet alleen de verspreiding van democratische waarden, maar ook de versterking van open-source-ecosystemen die innovatie in het Zuiden ondersteunen en mondiale macht herverdelen.

Nederland heeft met het European Civil Tech Fund de kans om mee te schrijven aan de spelregels van de digitale economie. Niet als bastion van louter Europese belangen, maar als partner in een rechtvaardig, gedeeld digitaal netwerk. Doen we dat niet, dan kijken we straks vanaf de zijlijn toe hoe anderen — in Palo Alto, São Paulo of Jakarta — onze toekomst vormgeven.


Over de auteur

Benjamin Asante is lid van Internet Society Nederland (ISOC NL) en actief in het veld van digitale soevereiniteit, open-source-beleid en internationale samenwerking. Hij behaalde in juli 2025 zijn master Political Sociology aan de London School of Economics (LSE) en werkte eerder als programmamanager bij het Sovereign Tech Agency (Duitsland) — een publieke instelling die investeert in open-source digitale infrastructuur. Daarnaast was hij Afrika-coördinator bij Both ENDS, waar hij zich richtte op eerlijke en duurzame samenwerking tussen het mondiale Noorden en Zuiden.

Binnen ISOC NL zet Benjamin zich in voor de verbinding tussen technologische innovatie en publieke waarde: hoe kunnen overheden, bedrijven en burgers gezamenlijk bouwen aan digitale ecosystemen die open, rechtvaardig en veerkrachtig zijn? Zijn belangstelling gaat vooral uit naar publieke investeringen in open infrastructuur, samenwerking met middeninkomenlanden en de sociale dimensie van digitale transities.

Met dit opiniestuk draagt hij bij aan het gesprek over een toekomst waarin digitale soevereiniteit niet betekent: alleen staan — maar samen sterker zijn.


ISOC Nederland voert regelmatig de dialoog met parlementariërs, beleidsmakers en maatschappelijke organisaties over digitale soevereiniteit, privacy, encryptie, open infrastructuur en digitale inclusie.

In 2024 sprak ISOC NL zich publiekelijk uit tegen de Europese CSAM-wetgeving, vanwege de risico’s voor end-to-end-encryptie en daarmee de veiligheid en vrijheid van internetgebruikers.
Lees meer: Kritiek op CSAM-wetgeving – strijd voor internetvrijheid in gevaar

Tijdens dit traject steunde Barbara Kathmann (GroenLinks–PvdA) in de Tweede Kamer de oproep om versleutelde communicatie wettelijk te beschermen.

Ook Raoul White (GroenLinks–PvdA) werkte met ISOC NL samen rond digitale grondrechten en publieke technologie, onder meer via bijeenkomsten over digitale autonomie en inclusieve digitale ecosystemen.

In 2025 ontving Lousewies van der Laan (destijds D66) de ISOC NL Lifetime Achievement Award voor haar inzet voor digitale rechten en internationale samenwerking.

Deze samenwerkingen onderstrepen ISOC NL’s rol als onafhankelijke bruggenbouwer tussen technologie, beleid en samenleving – een inzet waarop het opiniestuk van Benjamin Asante voortbouwt.