
Dinsdag 13 april was de deadline voor het indienen van een online consultatie op het wetsvoorstel voor de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal.
ISOC NL heeft een reactie ingestuurd, die hier te vinden is en die hieronder in volledigheid gepubliceerd is.
De reactie van ISOC NL is tot stand gekomen onder leiding van bestuurslid Linda van de Fliert, in combinatie met de waardevolle input van een aantal experts onder de ISOC NL (bestuurs)leden, namelijk Fred Hage, Cees de Laat, Rashid Niamat, Paul Suijkerbuik en Alexander Blom. Het wetsvoorstel werd tijdens een online expertgroep sessie op 6 april besproken.
De discussie volgde op een korte samenvatting rondom het ernstige maatschappelijke probleem van online kinderporno. De toelichting bij het wetsvoorstel geeft inderdaad aan hoe erg het probleem van online kinderporno is. Nederland staat in de top 2 van landen waar kinderpornografisch materiaal opgeslagen wordt op servers. Het Nederlandse orgaan dat kinderporno in de gaten houdt, het EOKM, analyseerde 200.000 sites, waarvan 75% in Nederland werd gehost (dit was zo in de jaren ’90). Het EOKM trok bij die pagina’s aan de bel, waarbij 84% adequaat gereageerd heeft door het materiaal weg te halen, terwijl 16% er langer dan 24 uur over deed.
Een aantal punten werden in detail besproken tijdens de sessie. Het ging met name over de vraag of er wel een nieuwe instantie nodig is die toezicht houdt, in plaats van zelfregulering van de sector. Daarnaast was er kritiek op de zorgvuldigheid van de manier waarop het wetsvoorstel in het algemeen is verwoord, waarbij het doel en de reikwijdte van de wet in de huidige vorm niet duidelijk zijn. Zo staat er niets duidelijks in over de samenstelling van de voorgestelde commissie die toezicht zou moeten houden.
Ook ging het langere tijd over hoe er om moet worden gegaan met hostingpartijen die wel in Nederland staan maar niet door Nederland gereguleerd (kunnen) worden. Als er een autoriteit ter controle zou worden ingesteld (zoals in dit wetsvoorstel luidt), wat zouden diens bevoegdheden dan zijn? En kan het probleem daarmee werkelijk bij de oorsprong aangepakt worden, als ervan kan worden uitgegaan dat de illegale actoren toch wel manieren zullen zoeken om onder die autoriteit uit te komen, door zich bijvoorbeeld te vestigen op plekken waar de regels minder strak gelden? Biedt dit wetsvoorstel daar een antwoord op?
Een erg interessante sessie die leidde tot het eindresultaat, die als volgt luidt.
Reactie Internet Society Nederland op de internetconsultatie van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal
De afgelopen decennia heeft het internet zich ontwikkeld tot een open platform voor innovatie met
lage drempels voor eindgebruikers, aanbieders van inhoud, toepassingen en diensten en aanbieders
van internettoegangsdiensten. Juist die lage drempels maken dat het internet zich heeft ontwikkeld
tot een ongelooflijk krachtig instrument voor vrijheid van meningsuiting en andere vrijheden. Het
belang van de vrijheden die het internet faciliteert blijkt wel uit het feit dat ze op een aantal
manieren direct en indirect door regulering gewaarborgd worden. In het bijzonder door de Europese
Netneutraliteitsverordening die “de gelijke en niet-discriminerende behandeling van het verkeer bij
het aanbieden van internettoegangsdiensten, alsmede de daarmee verband houdende rechten van
eindgebruikers waarborgt” (https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/TXT/?uri=celex%3A32015R2120)
Er zijn legitieme beperkingen op de vrije uitwisseling van informatie. Het tegengaan van de
verspreiding van kinderpornografisch materiaal is er daar zeker een van. In het voorliggende
wetvoorstel geeft u een nieuwe toezichthoudende instantie een nieuw mandaat om daartegen op te
treden. Internet Society Nederland ziet in dit wetsvoorstel echter een risico dat dat mandaat in de
toekomst misbruikt kan worden om internettoegang te beperken voor andere doeleinden dan het
tegengaan van verspreiding van kinderpornografisch materiaal, zonder dat aanpassing van de wet
daarvoor noodzakelijk is. De wet is daarmee een onwenselijke inbreuk op de netneutraliteit en opent
bovendien een weg naar onwenselijke censuur.
In de toelichting op het wetsvoorstel zien wij de goede intentie van de opstellers en zien we dat dit
wetsvoorstel geen andere bedoeling heeft dan het tegengaan van verspreiding van
kinderpornografisch materiaal. Echter, in het wetsvoorstel zelf ontbreken passende definities
afbakeningen en verwijzingen die de legitimiteit en proportionaliteit van de wet garanderen. Wij
bespreken de punten waar wij in ieder geval verbetering verwachten hieronder puntsgewijs:
- De Europese Netneutraliteitsverordening bepaalt in beginsel dat internetserviceproviders en
andere internettoegangaanbieders niet opgelegd mag worden
dat zij de toegang tot het internet beperken. Hoewel daar bij wet een uitzondering op
gemaakt kan worden – zoals ook in artikel 4 van de toelichting wordt betoogd – is dat aan
strikte evenredigheidsvoorschriften gebonden. Gezien onderstaande punten wordt daar niet
aan voldaan. - In het bijzonder ontbreekt een volwaardige omschrijving van de reikwijdte van de
maatregelen en sancties die opgelegd kunnen worden aan internetserviceproviders,
datacentra, cachingdiensten, social media platforms en andere diensten die onder de term
‘aanbieder van hostingdiensten’ vallen (vanaf hier: aanbieders). Allereerst de Zorgplicht:
o De reikwijdte van de zorgplicht is volledig afhankelijk van de interpretatie van de
woorden ‘passend’ en ‘evenredig’. Hoewel het goed is dat de aanbieder (volgens de
toelichting) vrijgelaten wordt in de manier waarop hij de doorgifte van het materiaal
beperkt, biedt de wet hem geen enkel afwegingskader. Gezien de mogelijkheid tot
het opleggen van een bestuurlijke boete zal de aanbieder eerder geneigd zijn
verstrekkende maatregelen te treffen. Het wordt daarmee een reëel scenario dat
een aanbieder ervoor kiest om een klant af te sluiten van het internet, in plaats van
het materiaal te verwijderen, om het zekere voor het onzekere te nemen.
o Neem in ieder geval expliciet op in het wetsvoorstel dat de zorgplicht
aanbieders van hostingdiensten er niet toe verplicht in algemene zin toe
te zien op gegevens die zij doorgeven of opslaan, alle geüploade
materiaal op systematische wijze te analyseren, of om actief te zoeken
naar online kinderpornografisch materiaal, zoals thans is omschreven in
de toelichting. - Dan de Aanwijzing:
o De term Aanwijzing wordt uitgebreid afgebakend in de toelichting. In het
wetsvoorstel is het echter niet eens in de lijst met definities opgenomen. Hoewel het
wetsvoorstel in artikel 9 lid 3 benoemd wat er in een aanwijzing staat, wordt met
geen woord gerept over de aard en bedoeling van de Aanwijzing, waar in de
toelichting wel uitgebreid op ingegaan wordt. Bijvoorbeeld dat relevant is of de
desbetreffende aanbieder het in zijn macht heeft het online kinderpornografisch
materiaal ontoegankelijk te maken.
o Voor de Aanwijzing gelden verder dezelfde bezwaren als voor de Zorgplicht. Zo
ontbreekt elke afbakening van wat ‘alle redelijkerwijs te nemen maatregelen’ zijn en
geeft het feit dat deze met een last onder dwangsom zijn af te dwingen aanbieders
van communicatiediensten een incentive om toegang tot internet en/of uitwisseling
van informatie verder te beperken dan noodzakelijk. - De mogelijkheid tot het opleggen van een boete zoals in artikel 8 lid 3 en een last onder
dwangsom zoals in artikel 10 is bovendien niet proportioneel. Het is niet duidelijk onder
welke voorwaarden de autoriteit een boete kan of zal opleggen. Volgens de huidige
wetstekst zou de boete zelfs al bij voorbaat opgelegd kunnen worden, bijvoorbeeld als niet
binnen een bepaalde termijn aan de zorgplicht voldaan wordt. Dit geeft de autoriteit een
uitzonderlijke machtspositie en vergroot bovendien de onzekerheid voor aanbieders over de
mate van vrijheid die zij hebben om te bepalen wat passend en evenredige maatregelen zijn. - De term ‘aanbieders van hostingdiensten’ is onvoldoende afgebakend. De definitie in de
definitielijst volstaat indien het uitsluitend gaat om het tegengaan van verspreiding van
kinderpornografisch materiaal, maar als er geen duidelijke wettelijke afbakening is van de
reikwijdte van de maatregelen en sancties, is natuurlijk ook een te brede interpretatie van de
term ‘aanbieders van hostingdiensten’ zeer problematisch. - Daarnaast zet Internet Society Nederland vraagtekens bij het nut en de noodzaak van het
oprichten van een nieuwe toezichthouder. De gedachtegang daarachter lijkt logisch:
zelfregulering door de branche is effectief, maar er blijft nog steeds een percentage over dat
niet handelt als er kinderpornografisch materiaal geconstateerd wordt. Om dat materiaal
toch zo snel mogelijk ontoegankelijk te maken is een ander pressiemiddel gewenst. Maar er
wordt onvoldoende beargumenteerd waarom een onafhankelijke toezichthouder daar het
meest geschikte middel voor is. Waarom is dit effectiever dan opsporing door politie en
justitie? Waarom wordt de capaciteit die hiervoor beschikbaar is niet ingezet om de
maatregelen voor preventie en betere opsporing uit te breiden, zodat de oorzaak van het
probleem aangepakt wordt in plaats van de gevolgen? Is bekend om welke bedrijven het
gaat en of een boete voor die bedrijven het meest effectieve pressiemiddel is? Is bekend of
opgelegde boetes wel geïnd kunnen worden, of worden er strak zoals bij de
Kansspelautoriteit grote boetes opgelegd die nooit geïnd zullen worden omdat bedrijven
bijvoorbeeld in het buitenland gevestigd zijn en/of snel van eigenaar wisselen? Zolang
dergelijke vragen onbeantwoord blijven, kan niet worden vastgesteld of het oprichten van
een onafhankelijke toezichthouder een proportionele dan wel effectieve maatregel is.
Door het ontbreken van voldoende waarborgen in de wet ontstaat in het ergste geval in de toekomst
een situatie waarin voor kwaadwillende machthebbers de suggestie dat ergens kinderpornografisch
materiaal verspreid wordt voldoende is om aanbieders te verplichten of onder druk te zetten om
burgers de toegang tot het internet volledig te ontzeggen. Die situatie is in Nederland op korte
termijn niet waarschijnlijk, maar laten we er niet de wettelijke mogelijkheden voor scheppen.
Maar ook op de korte termijn ziet Internet Society Nederland dat dit wetsvoorstel tot negatieve
gevolgen voor de internetvrijheid kan leiden, omdat het aanbieders onder druk zet om het zekere
voor het onzekere te nemen. Dat zal de vrijheden op het internet beperken. Wij vragen u met klem
het wetsvoorstel te wijzigen op basis van onze aanwijzingen.
Met vriendelijke groet,
Alexander Blom,
Voorzitter Internet Society Nederland
