Niels ten Oever publiceert zijn PhD thesis over Internet Governance
Door Camilla Nieman, Community Manager ISOC NL
Leestijd 18 minuten

De infrastructuur van het Internet is iets dat ver van ons af lijkt te staan, maar waar we onlosmakelijk mee verbonden zijn. Hoe moet die infrastructuur verder worden ontwikkeld zodat mens en maatschappij hierin centraal komen te staan?
Niels ten Oever, voormalig lid van het ISOC NL bestuur, bracht hier onlangs zijn PhD thesis over uit.
Infrastructuur politiseren
Ten Oever stelt hier kritische vragen over die hem niet in dank worden afgenomen. De politieke machten in dit veld zijn enorm en toch over het algemeen verborgen.
Zij die Internet governance hebben opgezet en nu bewaken willen dat mensen afhankelijk worden van die infrastructuur, en tegelijkertijd vooral niet te veel vragen erover stellen. Ze willen ongestoord hun gang kunnen gaan.
Om het Internet hangt een zweem van ultieme goedheid, innovatie en vooruitgang. Dat is heel lang ook het idee geweest over de Internet infrastructuur – ik keek er ook zo naar. Maar het is ook de mythe die er is om te zorgen dat mensen er niet teveel vragen over stellen.
Daar zit nu wel verandering in, wat te merken valt aan steeds kritischere stemmen die worden verheven in dit opzicht. In de huidige publieke discussie gaat het veel over Big Tech, die bedrijven vallen op, terwijl de infrastructuur zich aan het oog onttrekt. Mensen vragen er eigenlijk alleen naar als die niet goed functioneert, terwijl het hier gaat om het fundament van het Internet. Het heeft invloed op alles dat erop gebouwd is. Daardoor wordt de maatschappij er nu afhankelijk van. Je hebt de keuze om niet op Facebook te zitten, maar niet over de Internet infrastructuur waar je op ‘zit’.
De regels van de Internet governance zijn de nieuwe regels van de samenleving. Daarom ben ik gaan kijken naar wat dit voor regels zijn, wie ze maakt, hoe we die regels kunnen beïnvloeden.
‘Meer Internet is goed voor het Internet – en dus goed voor de maatschappij‘
Het is niet allemaal opzettelijk mysterieus: er heerst een zekere blinde vlek voor het politieke karakter dat al heerst in het veld van de Internet infrastructuur. In zijn onderzoek heeft Ten Oever dan ook veel weerstand ervaren bij de betrokken partijen wanneer hij vragen stelde. Dezelfde mensen die zeggen: ‘Tech is neutraal’ zeiden tegen Niels: ‘Wat jij nu doet, hiermee politiseer je de infrastructuur.’
Ik geloof ook dat veel van hen dat echt geloven, maar zij zijn blind voor de politieke macht en het privilege die ze zelf al hebben. Alles wat dat bedreigt zien ze als een algemene bedreiging voor het Internet. Engineers die deel zijn van de ontwikkeling van de Internet infrastructuur as-is, denken dat wat zij doen goed is voor het Internet, en dus ook voor de maatschappij. ‘What’s good for the Internet is more Internet.’ Meer Internet betekent meer interconnectie – dat is het enige doel dat ze voor ogen hebben.
En laten we eerlijk zijn: het is ook wonderlijk dat techneuten, overheden en bedrijven samen kunnen werken om iets te bouwen met het simpele idee ten grondslag: ‘Wij willen meer verbinding.’ Het verenigt allemaal mensen van verschillende achtergronden, vanuit verschillende specialismen, in een gezamenlijk project.
Alleen, in wezen komt het neer op meer verbinding tussen transnationale bedrijven. Heel veel waarden die eerst in het Internet zaten worden ondermijnd, zoals het end-to-end principe, en vele andere architectuurprincipes zijn er niet meer. Het concept van Permissionless Innovation werkt ook niet meer. De modus operandi is nu om verbinding te realiseren en dat op onzichtbare wijze te doen.
ISOC International als Patron Saint van de Internet governance
En hoe verhoudt ISOC als internationale speler zich ten opzichte van het bredere veld van de Internet infrastructuur? Volgens Ten Oever kan ISOC gezien worden als een ware ‘patron saint’ van de huidige Internet governance.
ISOC International is de ‘patron saint’ van de ‘infrastructural norm’. Zij hebben alles gedaan in de afgelopen jaren om regulering tegen te gaan en dat doen ze nog. Ze vinden dat het internet gedereguleerd moet zijn aan de hand van het multistakeholder principe. Maar ze vertellen niet hoe die infrastructuur mensenrechten niet respecteert. Bedrijven staan centraal in dit opzicht en de invloed van overheden en NGO’s is klein. In feite gaat ISOC voor bedrijven door het stof.
Hoe zit het dan met projecten als IXPs (bijvoorbeeld dit Nigeriaanse project) en Community Network projecten die door ISOC Internationaal worden geleid en ondersteund?
Die projecten zijn geniaal als combinatie. Ik zeg niet dat mensen niet meer verbinding moeten hebben, maar het is belangrijk om te kijken naar hoe dat doel wordt bereikt. Het Community Network project is een erkenning dat de markt niet overal Internet gaat brengen, want niet iedereen heeft genoeg geld om waardevol te zijn voor bedrijven om in te investeren.
De noodzaak voor IXP’s geeft ook meteen aan dat alle Internet traffic in Afrika eerst werd gerouteerd via voormalige koloniale overheden. Dus in Franstalig Afrika werd bijna al het Internetverkeer via Orange gepiped. IXP’s kunnen dit verbreken, maar het is allemaal afhankelijk van de politiek in Afrika, want wie heeft het recht daarover? Die infrastructuur wordt immers ook gebruikt voor surveillance, voor controle. Nu zie je dat dat ook langzaam geliberaliseerd wordt. IXP’s hebben daar een rol in. Daarmee daalt de prijs van Internet connectie ook op veel plekken in Afrika. Maar uiteindelijk blijft de vraag: is meer Internet per definitie beter, als er niet wordt gewerkt aan een andere soort infrastructuur die burgers beschermt tegen overheidscontrole?
Van Overijssel naar Amsterdamse Piraterij tot Noord-Afrika
De motivatie voor het onderzoek van Ten Oever komt voort uit zijn eigen ervaringen. Onvoorspelbaar genoeg begon het allemaal op een heide in Overijssel tijdens zijn jeugd, op bezoek bij zijn grootouders.
Ik kwam bij radio maken uit door een van mijn eerste ervaringen die ik ermee heb gehad toen we naar mijn grootvader gingen, op het Overijsselse platteland, in een huisje in the middle of nowhere. Het enige om mee te spelen was een oude buizenradio. Als ‘ie warm werd lichtten groene buizen op waar je aan kon draaien, dan hoorde je Russische zenders. Fascinerend was het. Dat was de radio waarop mijn grootouders naar Radio Oranje luisterden.
Het idee dat er overal steeds golven zijn die informatie verspreiden waar je op kunt intunen is het zaadje geweest voor mijn verdere interesse in infrastructuur. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in infra. Het leuke is dat je als hacker nerd, als activist, als academicus, steeds op andere manieren naar die infrastructuur leert kijken en mee om leert gaan.
Het begin van mijn werk hierin was het opzetten van onafhankelijke radiostations. Eerst een piratenradio in Amsterdam, daarna gemeenschapsradio’s in Ethiopië, toen een netwerk van radiostations in Somalië, en uiteindelijk een mobiel radiostation in Afghanistan.
Toen heb ik een app mede ontwikkeld: de StoryMaker app. Daarmee kon je op smartphones audio, video en foto’s editen en anoniem uploaden. Daarmee heb ik zeshonderd journalisten getraind in Tunesië, Egypte, Irak, Marokko en Zimbabwe. Toen begon de Arabishe Lente, die heb ik echt gevoeld van dichtbij. Het was een veelgebruikte tool toen.
De digitale veiligheid van zo’n app is echt een uitdaging, om dat in die app te bakken. Toen realiseerde ik me dat het eigenlijk gek is om die verantwoordelijkheid bij eindgebruikers te leggen.
Waarom is die veiligheid niet per definitie deel van de infrastructuur waarop de apps worden gebouwd? Dit zijn vooral wezenlijke vragen in situaties waarop het leven van de gebruikers op het spel staat, zoals bij de StoryMaker app.
Dat was het moment dat ik me met Internet governance bezig ben gaan houden, met de vraag hoe de Internet infrastructuur by default mensenrechten kan respecteren. Ik begon met een focus op protocollen, daarna ben ik langs de grote governance lichamen gegaan.
Decennium van regulering
In zijn thesis concludeert Ten Oever dat regulering onontkoombaar is. Dit wordt immers het decennium van regulering.
Nu is de uitdaging om te begrijpen hoe je goede wetgeving maakt. Daaraan gaat de vraag vooraf hoe de wenselijke infrastructurele samenleving eruit ziet, met het algemene goed dat centraal staat. Dit is een ingewikkelde vraag omdat tech snel verandert en het lang duurt om wetgeving te maken.
Kijk eens naar AI nu. Het verhaal wordt snel gecoöpteerd. We hebben veel goede bestaande regels waaraan bedrijven zich moeten houden, zoals mensenrechten. Nu willen mensen het over ethiek hebben, ook in de techsector, en specifiek bij het ontwikkelen van kunstmatige intelligentie. Het mooie daaraan is dat we al ruim 2500 jaar niet uit zijn over ethische kwesties.

Dit is een geniale afleidingsmanoeuvre. Het is de perfecte manier om het erover te hebben en er niets mee te doen. We kunnen namelijk ook regels implementeren die er al zijn, zoals de UN Guiding Principles on Business and Human Rights.
En toch: iedere keer dat er in de EU wetgeving komt om te zorgen dat bedrijven dit bindend moeten doen, lobbyen grote bedrijven (niet alleen tech bedrijven) tegen diezelfde regels. Google is niet voor niets een van de grootste lobbyorganisatie in de VS. Er is een draaideur van beleidsmensen die voor die bedrijven werken en daarmee ideeën en normen weten te verspreiden uit die hoek.
Internet als anti-monopolistische maatregel
Terwijl er nu in de VS een zaak loopt vanuit Congres tegen de tech giganten om hun monopolistische praktijken te bedwingen, helpt Ten Oever ons herinneren aan hoe het allemaal begon. Het Internet werd namelijk ooit als ani-monopolistische maatregel tegen telecomgiganten in het leven geroepen.
The Big Five van nu zijn iets tijdelijks. Als je kijkt naar de geschiedenis van de infrastructuren tot nu – de telegraaf, telefonie, telegram – zijn er altijd periodes van centralisatie en decentralisatie geweest. De vraag is alleen hoe dat zo tot stand is gekomen en weer is veranderd van governance vorm.
Het mooie van de geschiedenis is dat ‘ie rijmt, maar zich niet herhaalt. Nu is het wéér anders. Het internet is een consequentie van anti-monopolistische maatregelen tegen telecomgiganten. Het is een mooie uitkomst geweest daarvan. Maar nu zie je dat die slinger weer terugkomt.
Van Publiek naar Privaat – en de consequenties van dien
In het begin was het Internet een publiek project, tot in de jaren ‘90. Toen moest alles geprivatiseerd worden om het Internet te laten groeien. Nu komen we erop terug. Bedrijven zijn goed in korte termijn oplossingen, niet met langetermijnvisie.
Sinds midden jaren ‘90 weten we dat we meer aan routing security moeten doen, maar niemand doet het, dus niemand wil als eerste de kosten maken. De incentive-structuur, de stimulans, is voornamelijk gericht op geld verdienen en beloont niet lange termijn investeringen in de infrastructuur, ook al is iedereen het erover eens dat het belangrijk is.
Industrie zelfregulatie, moeten we helaas concluderen, werkt niet. Althans, niet op de manier waarop het nu is ingericht. Of het werkt slechts voor bepaalde dingen: in het geval van het Internet werkt het goed om meer verbinding te creëren, maar niet om een gezonde infrastructuur te bouwen.
Nu nemen staten meer controle door middel van wetgeving. ‘Als jullie niet willen luisteren gaan we door met wetgeving maken zoals we altijd al deden.’ Alle nerds schrikken nu. Ze dachten echt dat ze de baas waren. Dat bewijst dat ze weinig historisch besef hebben.
Weg met de mythes
Het is tijd voor een omslag volgens Ten Oever. Er zijn meerdere mythes die nu bestaan waar we vanaf moeten. Ten eerste de mythe van overheden als incapabel wanneer het op technologie en innovatie aankomt. Daarnaast de mythe dat het Internet en de techsector losstaan van de maatschappij en dat moeten blijven. Allerlaatst moeten we van de misvatting af dat innovatie alleen voortkomt uit bedrijven, LEAN startups, of eenzame witte mannelijke genieën. Universiteiten zijn ware innovatiehubs.
Ten Oever bepleit dat innovatie komt juíst tot stand met hulp van overheidsinvesteringen die steun bieden bij risicovolle projecten waarvan het rendement onzeker is. De kracht van overheden is juíst de continuïteit die ze bieden. Het is onzin dat inmenging van de overheid innovatie in de weg staat. Daarnaast heb je voor échte innovatie veel ontwikkelingstijd nodig; die wordt vooral op universiteiten geboden.
De alternatieve geschiedenissen van het Internet vertellen dat de lancering van de Sputnik cruciaal is geweest voor de ontwikkeling van het Internet van vandaag. Na de lancering dachten de Amerikanen: ‘Shit, de Russen lopen voor. We moeten iets gaan doen.’ Op dat moment is er veel geld gekomen, onder andere in fondsen als ARPA, later DARPA. Die investeringen die werden gedaan in interdisciplinair werk, waarbij veel universiteiten ook projecten door bedrijven lieten uitvoeren, hebben het Internet geproduceerd.
Als je kijkt naar een van de laatste ontwikkelingen, Content Delivery Networks, is het ook allemaal op universiteiten begonnen. Mensen doen echt bizarre shit op uni’s. Niet voor niks is het motto van CERN: ‘Vague, but exciting’. Dat is ook de comment die Tim Berners-Lee schreef op zijn design van het Internet. Er is geen ruimte waar experimenteren zo erg kan.
Wat wel zo is: universiteiten zijn beter in innoveren, maar bedrijven zijn beter in producten naar de markt brengen. Bedrijven pronken met hun creaties, terwijl de risicovolle, spannende ontwikkelingen op universiteiten plaatsvinden. Heel vaak komt het neer op ‘public investment, private profit’. Dat die bedrijven strijken met de eer is eigenlijk bullshit: het is inherent relationeel. Je bouwt op anderen en diens nalatenschap, je bouwt op tradities.
Innovatie heeft bovendien tijd nodig, en als je zegt dat het in de techsector zo snel gaat allemaal, dan is het markt gerelateerd. Wetgeving daarentegen staat als een huis, tech is brakker. Een goed voorbeeld is de AVG. Het heeft vijftien jaar geduurd om die te ontwikkelen. Politieke besluitvorming duurt lang. Het paradoxale is dat de staat veel meer tijd heeft. In de korte geschiedenis van het Internet zijn in tegenstelling al een heleboel monopolisten gekomen en gegaan, denk aan Alcatel-Lucent, Microsoft, Bell, IBM: in termen van tech is veel onzekerder.
Inspiratie uit alternatieve Internetgeschiedenissen
Alternatieve Internetgeschiedenissen zijn belangrijk om van te leren. Onder andere van het feit dat het Internet begon als publiek gefinancierd project en als anti-monopolistische maatregel.
De eerste programmeurs waren vrouwen, in het Verenigd Koninkrijk. Vaak wisten zelfs mannen die de apparaten hadden ontworpen niet goed hoe ze moesten werken. Hicks heeft er een goed boek over geschreven, hoe vrouwen uit de computing zijn gedrukt. Ook zwarte softwareontwikkelaars zijn de kamer uit gedrukt. Zo wordt de geschiedenis geschreven en het verhaal over innovatie bijgehouden: zonder deze belangrijke spelers in beeld.
Het is daarom belangrijk om alternatieve geschiedenissen van het Internet goed te bekijken. Het was niet alleen maar dat militaire ARPA project. Ook in de Sovjet Unie werd een computer ontwikkeld. Hoe we het nu doen is niet de enige manier waarop we het kunnen doen. Wat is het breekijzer om de huidige situatie weer mee open te breken?
In de techsector, vooral aan de infrastructuur kant, wordt er gedaan alsof het huidige Internet governance systeem de enige mogelijke is, met vrij spel voor bedrijven. Dit wordt als belangrijk ervaren voor de vooruitgang in de sector. Maar er zijn vanaf het begin al alternatieven geweest, daar moet nu serieus naar gekeken worden. Er moeten alternatieve infrastructuren ontworpen en gerealiseerd worden met meer beleid, wenselijker dan het huidige systeem.
Nederlandse Waterschappenbeleid als voorbeeld
Er valt veel te leren van het beleid van de Waterschappen van Nederland. Het is niet voor niets een Nederlands exportproduct van hoge kwaliteit, waar Nederland internationaal om geroemd wordt. De expertise waarop dit beleid berust is opgebouwd over meerdere eeuwen. Daar kunnen we bij het herzien van de Internet governance van leren. Voor innovatie en vooruitgang kunnen we inspiratie en kennis opdoen door naar het verleden te kijken.
Ik denk dat Nederland heel goed kan zijn in het managen van de Internet infrastructuur, omdat het een infrastructureel land is. Het begon met modder en malaria. Dat is Nederland, één groot moeras. Door de jaren heen hebben we een omgeving kunnen vormen die we infrastructureel hebben aangepast. Niet voor niets zijn onze oudste bestuurslagen Waterschappen. We praten en denken er al heel lang over, en zijn er nog steeds niet over uitgeluld.
Wat nou als we het Internet net zo gaan bekijken als water, dus ook in reguleringsopzicht? Met tech hebben we het over een onveranderbare golf waar we niks aan kunnen doen, terwijl we normaal met water heel concreet bezig zijn. Daar wordt het alleen maar beter van. Het fascinerende is dat hoe we water gereguleerd hebben ons exportproduct is. Dat kunnen we ook met het Internet doen.
Regulering in de maak
Er zijn veel mogelijkheden wat Internetregulering betreft, maar niet één antwoord, omdat het erg complex is. Verschillend partijen moeten nu met opties komen over hoe goede regulering gemaakt dient te worden. Dit zou nu ook de rol van ISOC moeten zijn, aangezien industrie zelfregulering niet werkt.
De AVG is een stap daarin. Door de AVG zijn er nu steeds meer rechtszaken. Bedrijven zeggen AVG-compliant te zijn, maar databescherming autoriteiten moeten procedures starten om het te testen. Die zitten op hun beurt in de weg door lobby’s en structurele onderfinanciering, in tegenstelling tot bedrijven met al het geld. Maar door het maatschappelijke bewustzijn en wetgeving hebben de autoriteiten het steeds meer in de hand. Dat vind ik hoopvol: met veel minder geld dan bedrijven kunnen we ze het moeilijk maken.
Ik denk dat we een bladzijde hebben omgeslagen. Bijna alle landen zeggen nu dat er wetgeving komt. Eerst waren het alleen China en Rusland. Maar nu beginnen bijvoorbeeld ook Duitsland, Nederland, de VS ermee.
Interconnectie vs. interoperabiliteit
Interoperabiliteit versus interconnectie is nu de hoofdkwestie. Bij interoperabiliteit is het een kwestie van give and take, een two-way-street, en dus een beter alternatief dan de huidige structuur van interconnectie. Dit is deel van Ten Oever’s visie voor een verbeterde Internet infrastructuur, met metaforische vrijmarkten en publieke ruimtes.
Het knappe van het Internet is dat het samen op een simpel idee berust. Dat idee moeten we nu samen wat complexer maken. Het spijt me, het wordt er niet makkelijker op, maar zo is het leven. Met heel veel macht komt heel veel verantwoordelijkheid. Verantwoordelijkheid die Internet governance moet gaan nemen. De betrokken partijen moeten zichzelf in de spiegel kijken en vragen ‘Wie ben ik en wat wil ik zijn?’ Of een tandje lager zingen en overheden meer ruimte geven. Maar dan moet er een stukje macht ingegeven worden. ICT’ers zijn daar niet zo goed in, om dat vrijwillig te doen.
Een belangrijk concept wordt interoperabiliteit. Interconnectie is niet bedoeld om de data van bedrijven zelf weer met ons te delen. Het is een one-way street nu, waarbij slechts data van de gebruiker wordt vergaard. Hoe maken we die straat open? Hoe zorgen we dat de straat eruit ziet zoals een publieke ruimte eruit zou moeten zien? Met snelwegen voor vrachtwagens, brede stoepen en verkeersdrempels, en op- en afritten voor mensen in een rolstoel en blinden? En moet er af en toe een vrijmarkt gehouden worden?
Technologie is wat ons mens maakt
Ook als mensen denken niet technisch te zijn ingesteld zijn ze dat toch, zonder zich er compleet bewust van te zijn. Een goede ontwikkeling van het Internet gaat ons dus allemaal direct aan.
Het laatste wat je ziet voor je gaat slapen en voordat je wakker wordt is niet bijvoorbeeld je partner, maar je telefoon. We zijn inherent technisch. Meerdere antropologen stellen dat tech is wat ons mens maakt, dat ons gebruik van technologie ons afscheidt van andere diersoorten. We moeten nadenken over wat dat betekent voor ons. Ik zeg niet dat mensen geen leuke spullen moeten hebben, maar we komen er nu ook achter dat dingen die ons worden aangesmeerd als nice things niet zo nice zijn, maar vooral heel shiny. De interesse van bedrijven is nog steeds best wel ongeïnspireerd: ons meer data laten produceren zodat zij meer advertenties kunnen verkopen. En die zijn ook nog zo saai en inefficiënt!
Qua innovatiekracht is het zo dat als je kijkt naar de grote maatschappelijke problemen die moeten worden opgelost we het niet hebben over 4k of 8k streaming. Er zijn veel problemen in de samenleving, maar techbedrijven kiezen niet om daarop te innoveren. Ze willen gewoon geld verdienen. Laten we dan in ieder geval niet doen alsof het niet zo is; alsof ze eigenlijk met iets groters bezig zijn.
Activistische Academicus
Ten Oever begon als hacker nerd en heeft door zijn verschillende ervaringen steeds een laag aan zichzelf toegevoegd. Op het moment ziet hij zichzelf als activistische academicus, met de bijbehorende verantwoordelijkheden om de zaken op te schudden.
Het is leuk om aan jezelf te merken dat je door de loop van de tijd steeds meer wordt en nooit iets kwijtraakt. Door de tijd heen worden je meningen steeds gelaagder en hopelijk ook bruikbaarder voor anderen. Ik ben nog steeds heel erg met code bezig. En in mijn onderzoek ben ik er heilig van overtuigd dat er geen objectieve kennis is. Je neemt altijd een positie in. Ik zie mezelf ook als activistische onderzoeker. Het is niet problematisch als je ervoor openstaat en wel academische methodes gebruikt.
De hoofdboodschap die ik wil uitdragen met mijn onderzoek en achtergrond blijft: we moeten van de mythe af dat het Internet alleen zo goed mogelijk voort kan gaan door de status quo en de huidige regels niet in de weg te zitten. We moeten bouwen aan een beter alternatief voor de Internet infrastructuur en de Internet governance.
